“Wat kwaliteit is, staat niet in de sterren: de bepaling van wat kwaliteit is, leunt in belangrijke mate op het voeren van het goede gesprek over wat waarom van belang is en hoe je dat vaststelt – dat betekent investeren in een goede dialoog.” Peter van Lieshout, hoogleraar Universiteit van Utrecht en voorzitter van de Kinderopvangraad.
In de voorbereidingen naar de landelijke bijeenkomsten hebben we ons als projectgroep laten voeden over pedagogische kwaliteit door verschillende experts, te weten Mirjam Gevers, Simon Hay, Peter van Lieshout en Pauline Slot.
De eerste bijeenkomsten hebben we besproken wat pedagogische kwaliteit inhoudt, wat hiervan in de wet- en regelgeving is vastgelegd en wat door de GGD-inspectie getoetst wordt. We hebben vervolgens besproken wat dit betekent voor de verantwoordelijkheid van de sector kinderopvang om de hoge pedagogische kwaliteit te borgen.
Aan de hand van sheets van Pauline Slot, assistent professor aan de Universiteit van Utrecht en lid van de Kinderopvangraad, komen we tot de gedeelde conclusie dat de pedagogische kwaliteit die op dit moment in wet- en regelgeving het uitgangspunt vormt, vooral de structurele kwaliteit betreft, d.w.z. de voorwaarden waaronder pedagogische kwaliteit tot stand kan komen. Hoge pedagogische kwaliteit ontstaat pas als ook aan de verschillende onderdelen van proceskwaliteit wordt voldaan, waarbij wij een hoofdrol zien weggelegd voor de 6 interactievaardigheden uit het model van oud-hoogleraar Riksen-Walraven (2004). Deze 6 interactievaardigheden zijn afgeleid van de 4 pedagogische kwaliteitsdoelen uit de Wet IKK, mede geformuleerd door RiksenWalraven. In combinatie met een doordacht aanbod van spel en activiteiten, zijn deze interactievaardigheden essentieel om positieve effecten te behalen in het welbevinden, de betrokkenheid en de ontwikkeling van kinderen. Alleen dan bereik je een hoge pedagogische kwaliteit.
Deze eerste bijeenkomsten leverden een duidelijke consensus op over de verantwoordelijk van de sector voor het ontwikkelen en borgen van deze hoge pedagogische kwaliteit.
Bij de tweede bijeenkomst zijn we op basis van deze consensus verder gaan nadenken over de verdiepingsvragen: “Wat verstaan we onder de ‘kwalitatieve ondergrens’, hoe bepalen we die, wie toetst dat en wat als je deze ondergrens niet haalt?” en “Hoe maken we pedagogische kwaliteit meetbaar en zichtbaar? Hoe zijn wij daarop aanspreekbaar?”
Deze vragen leverden meer inhoudelijke discussie op dan de vraag naar de verantwoordelijkheid van de sector m.b.t. het bieden van hoge pedagogische kwaliteit. Duidelijke eenstemmigheid is er over het gebruikmaken van ‘wat er al is’: aan meetinstrumenten, zoals zelfevalutie-instrumenten, kennis en kunde van organisaties en de bereidheid dat in te zetten voor andere organisaties, inzet pedagogisch coaches en de pedagogisch beleidsplannen.
Belangrijke perspectieven die genoemd zijn, zijn o.a.:
De wetenschap geeft de inhoud en ‘ondergrens’ aan van hoge pedagogische kwaliteit (LKK, NCKO Kwaliteitsmonitor)
De praktijk is niet alleen gebaat bij een meting/toetsing die af en toe plaatsvindt (“voelt soms als afrekening”), maar juist bij eigenaarschap en een groeimodel d.m.v. zelfevaluaties
De huidige toezichthouder zou het feit dat je meedoet aan de Kwaliteitscode in haar rapport kunnen meenemen
Een heldere kwaliteitscode, gebaseerd op onze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor kinderen, versterkt de samenwerking binnen de sector. De deelnemers realiseren zich dat de sector kinderopvang heel divers is, o.a. wat betreft de omvang van organisaties. Enerzijds werken kinderopvangorganisaties al aan hoge pedagogische kwaliteit d.m.v. de inzet van pedagogisch coaches, pedagogisch beleidsplannen en scholingsaanbod. Anderzijds kunnen (kleinere) organisaties behoefte hebben aan extra ondersteuning vanuit de sector zelf, door bijvoorbeeld andere organisaties die al een hoge score hebben behaald. Op deze manier nemen we gezamenlijk verantwoordelijk als sector. Een belangrijke bijdrage aan de haalbaarheid bereiken we door de meetinstrumenten en processen digitaal, praktisch uitvoerbaar en niet administratief belastend te maken.
En een lastige vraag, nl “Wat doe je als de ondergrens niet wordt gehaald?” Of je een ondergrens moet willen vaststellen, daar zijn we nog niet over uit. Er is vanuit verschillende deelnemers benoemd om uit te gaan van een groeimodel. De sterke en minder sterke punten van de organisatie komen voor iedereen aan bod en vormen de basis van een PDCA-cyclus. De inzet om aan de ontwikkeling van de eigen pedagogische kwaliteit te werken is wat voorop staat, daar zouden we niet bang voor hoeven te zijn.